Het ontbreken van een kunstenaarsarchief: ’toeval’ of een genderdynamiek? Onderzoek naar Suzanne Fabry

Inleiding

Hoewel vrouwelijke kunstenaars altijd hebben bestaan, werden zij gedurende het grootste deel van de kunstgeschiedenis uitgesloten, gemarginaliseerd, ondergewaardeerd en uitgewist. Kunsthistorici besteden sinds de late twintigste eeuw structureel aandacht aan vrouwelijke kunstenaars, en ook vandaag zijn er tal van vrouwelijke hedendaagse kunstenaars actief. Toch blijft het noodzakelijk om in te zetten op de zichtbaarheid van vrouwen binnen de kunstgeschiedenis, evenals op het bevragen van uitsluitende structuren en historische ongelijkheid. Museumcollecties op zaal, zeker van kunst voor 1950, worden nog steeds voornamelijk gedomineerd door mannelijke kunstenaars, en ook de ‘kunstcanon’ bestaat grotendeels uit mannelijke kunstenaars. Daarnaast zijn er vele vrouwelijke kunstenaars aan wie tot op heden weinig aandacht werd besteed. Dit benadrukt het belang van verder onderzoek naar vrouwelijke kunstenaars en blijvende inspanning om hen steeds meer plekken binnen de kunstgeschiedenis te geven, als één van de stappen richting een inclusievere kunstgeschiedenis en kunstwereld.

Een van de kunstenaars die vandaag relatief weinig bestudeerd is, is Suzanne Fabry (1904-1985), naar wie ik tijdens mijn stage bij Centrum Kunstarchieven Vlaanderen onderzoek voerde. Fabry was een Brusselse schilder en tekenaar, die in de jaren 1920 studeerde aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Brussel. Ze groeide op in een artistiek milieu: haar vader, Emile Fabry, was een monumentaal symbolistische schilder, waardoor ze van jongs af aan werd ondergedompeld in de kunstwereld. Binnen Fabry’s beeldende oeuvre staat de menselijke figuur centraal. Ze werkte rond uiteenlopende thema’s, waaronder mythologische scènes en naakten, maar het merendeel van haar oeuvre bestaat uit (zelf)portretten. Daarnaast was zij van 1948 tot 1959 werkzaam als kostuumontwerper en hoofd van de kostuumafdeling van de Koninklijke Muntschouwburg. Daar werkte ze samen met haar echtgenoot, Edmond Delescluze (1905-1993), die als decorontwerper leiding gaf aan de decorafdeling en daarnaast eveneens actief was als beeldende kunstenaar.(1)

Tijdens het onderzoek lag de nadruk op het zo volledig mogelijk in kaart brengen van Fabry’s archief, met inhoudelijke aandacht voor het belang van connecties en netwerken.

Suzanne Fabry, Autoportrait, 1932, olie op doek, 111 x 74 cm. Afbeelding KIK-IRPA – Urban.brussels, 2017. Autoportrait / Atelier Émile Fabry – Inventaire du patrimoine mobilier.

De stage opgedeeld in onderzoeksfases

Het onderzoek naar Fabry bestond uit diverse fasen, waarbij diverse brontypes werden geraadpleegd.

In een eerste fase lag de focus op het inlezen in de beschikbare secundaire literatuur over Fabry, evenals het analyseren van haar oeuvre. Deze verkennende fase bood een eerste inzicht in haar biografie en artistieke praktijk.

Vervolgens richtte het onderzoek zich op gepubliceerde primaire bronnen, voornamelijk contemporaine krantenartikelen en tentoonstellingscatalogi. Een groot deel van deze bronnen betreffen Fabry’s deelnames aan tentoonstellingen. De artikelen boden onder meer inzicht in de manier waarop contemporaine critici over Fabry en haar oeuvre schreven. Aan de hand van deze krantenartikelen werd een chronologie opgesteld, en konden op basis daarvan de tentoonstellingscatalogi worden geraadpleegd. Deze catalogi leverden bijkomende informatie, zoals de exacte werken die Fabry tentoonstelde en de andere kunstenaars die aan dezelfde tentoonstellingen deelnamen.

Daarna verschoof de aandacht naar ongepubliceerde primaire bronnen, voornamelijk correspondentie. Zo bewaart het Archief voor Hedendaagse Kunst een paar door Fabry geschreven brieven. Maar over Fabry zelf zijn echter slecht weinig archiefstukken bewaard gebleven (in publieke instanties). Daarom werd ook het archief van haar vader, Emile Fabry, geraadpleegd om lacunes over Suzanne Fabry gedeeltelijk op te vullen.

Daarnaast werd bijkomende contextuele literatuur bestudeerd, deze lectuur hielp om Fabry’s positie beter te contextualiseren binnen de kunstwereld van de twintigste eeuw.

Suzanne Fabry, Autoportrait, 1940, roodkrijt, 63 x 56 cm. Afbeelding KIK-IRPA – Urban.brussels, 2017. Autoportrait / Atelier Émile Fabry – Inventaire du patrimoine mobilier.

Enkele onderzoeksresultaten

Suzanne Fabry  meer dan  ‘dochter van…’ , en ‘vrouw van…’

[…]Suzanne Fabry peint comme son papa. […](2)

[…] Suzanne Fabry imite consciencieusement son père dans panneau de l’Eté. […](3)

Zoals bovenstaande contemporaine artikels illustreren, en zoals ook blijkt uit de beschikbare literatuur over Suzanne Fabry, wordt zij frequent gelinkt aan en vergeleken met haar vader. Enerzijds is het belangrijk te erkennen dat vrouwelijke kunstenaars met familieleden die actief waren in de kunstwereld over een privilege beschikten in vergelijking met kunstenaars zonder dergelijk familiaal netwerk.(4) Persoonlijke relaties en artistieke omgeving zijn immers essentieel voor de ontwikkeling van kunstenaars, en het is belangrijk om te erkennen dat artistieke praktijken vaak gevormd worden door steun, uitwisseling en invloed vanuit de directe omgeving. Anderzijds is het belangrijk niet te vervallen in tendensen waarbij een kunstenaar gereduceerd wordt tot of overschaduwd wordt door een bekender familielid.

Fabry had een nauwe band met haar vader, die op verschillende manieren een belangrijke rol speelde in haar leven. Dit blijkt onder meer uit haar keuze om een kunstopleiding en pedagogische diploma’s voor kunstonderwijs te behalen, wat nauw aansluit bij de professionele loopbaan van Emile Fabry. Daarnaast is er in het oeuvre van Fabry, zeker in haar vroege periode, invloed van haar vader zichtbaar.

Tijdens het onderzoek kwam echter ook naar voren dat deze relatie niet louter een eenrichtingsverkeer was. Fabry speelde zelf eveneens een cruciale rol in het leven en oeuvre van Emile Fabry. Zo modelleerde zij als kind en jongvolwassene voor verschillende van zijn werken. Bovendien bleek uit de analyse van Emile Fabry’s correspondentie dat Suzanne Fabry een belangrijke plaats innam in zijn persoonlijke leven, vooral na het overlijden van haar moeder, Viriginie Dûchenes (1865-1952).Samen met Delescluze woonde zij bij hem in en ondersteunde zij Emile Fabry praktisch, onder meer door huishoudelijke zorg en ondersteuning. In de brieven van Emile Fabry duikt isolement op en daarbij keert steeds het belang van Suzanne Fabry terug, wat erop wijst dat zij voor hem ook een belangrijke bron van gezelschap en emotionele steun was.(5)

Daarnaast engageerde Fabry zich na het overlijden van haar vader actief voor het behoud en de promotie van zijn oeuvre. Zo bracht zij vernislagen aan op zijn schilderijen en hield zij zich bezig met onderzoek naar zijn leven en werk. Ook zette zij zich in om zijn kunstwerken zichtbaar te houden via de verkoop en verspreiding ervan.(6)

Dit illustreert hoe Fabry’s positie als kunstenaar enerzijds beïnvloed, ondersteund en versterkt werd door haar afkomst uit een kunstenaarsfamilie, maar anderzijds ook hoe de relatie wederkerig was.

Verwevenheid van het oeuvre en archief van een Fabry

Via het oeuvre van Suzanne Fabry ben ik meer te weten gekomen over haar persoonlijke en professionele netwerk. Dit toont aan dat lacunes binnen archieven soms gedeeltelijk kunnen worden aangevuld door het bestuderen van het oeuvre zelf, wat de nauwe verbondenheid tussen beiden illustreert.

Zo stootte ik in het Archives et Musée de la littérature op Fabry’s werk Portrait mortuaire de Marie Closset uit 1952.(7) Marie Closset (1873-1952)  was een dichter die samen met  Blanche Rousseau (1857-1949)  en Marie Gaspar de literaire kring Peacocks oprichtte. De drie woonden samen in Ukkel en maakten deel uit van een Brussels avant-gardistisch, libertair en anarchistisch milieu. Ook beeldende kunstenaars waren aan deze kring verbonden, waaronder Théo Van Rysselberghe (1862-1926).(8)  Het is dus niet ondenkbaar dat Closset in contact stond met kunstenaars zoals Fabry. Het feit dat Fabry een mortuariumportret van Closset maakte op de dag van haar overlijden, suggereert dat zij de mogelijkheid had om afscheid van haar te nemen, wat erop zou kunnen wijzen dat ze een nauwe band onderhielden. Bovendien lijkt het tekenen van Closset voor Fabry mogelijks ook een manier te zijn geweest om met het verlies om te gaan. De schets kan in dat opzicht gelezen worden als een poging om een herinnering aan Closset te bewaren en haar via de tekening te vereeuwigen. Daarnaast kan het werk ook wijzen op een breder netwerk van Fabry dat voorlopig nog grotendeels onontdekt blijft. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat Fabry ook andere leden van de Peacocks kende en/of mogelijk deel uitmaakte van ruimere libertaire kringen in Brussel.

Een andere connectie is die tussen Fabry en de surrealistische kunstenaar Jane Graverol (1905-1984), ontdekt via onderzoek van kunstwetenschapper Lyse Vancampenhoudt. Graverol en Fabry volgden frequent les in dezelfde ateliers aan de academie van Brussel. Deze connectie wordt bovendien bevestigd door een tekening die Fabry van Graverol maakte tussen ca. 1923-1926.

Deze voorbeelden tonen aan dat waar het archief tekortschiet, het oeuvre kan werken als een aanvuller van waardevolle informatie. Tegelijk wijzen ze op de vele open vragen die rond Fabry blijven bestaan, mede door het beperkte aantal archiefstukken. 

Suzanne Fabry, Portrait de Jane Graverol, ca 1923-26, potlood op papier, privécollectie Rosine Ortmans. Afbeelding Mouna De Waele. Uit het onderzoek van Lyse Vancampenhoudt.

Reflecties: het belang van een goed raadpleegbaar archief

Tijdens mijn stage heb ik sterk nagedacht over de lokalisatie en het behoud van archieven. Verschillende vragen kwamen daarbij steeds opnieuw naar voren, waaronder: Hoe is het mogelijk dat een kunstenaar als Suzanne Fabry, die zo een fascinerend oeuvre naliet, nauwelijks vertegenwoordigd is in publicaties en openbare archiefinstellingen? Hoeveel archiefstukken over haar bestaan mogelijks nog, maar bevinden zich vandaag in privébezit? En wie bepaalt uiteindelijk welke historische figuren als belangrijk genoeg worden beschouwd om actief in te zetten op het bewaren en ontsluiten van archieven?

Deze vragen deden mij inzien hoe fragiel kunstwetenschappelijke archivering eigenlijk is. Het gebrek aan bewaarde en/of toegankelijke archieven, vormt misschien mee een verklaring waarom zoveel boeiende vrouwelijke kunstenaars in vergetelheid zijn geraakt. Uiteraard is het onmogelijk om over elke kunstenaar evenveel informatie te bewaren of te verzamelen, maar de stage maakte wel duidelijk hoe essentieel een goed bewaard en raadpleegbaar archief is voor kunsthistorisch onderzoek. Instellingen zoals CKV spelen daarin een cruciale rol ze zijn niet alleen belangrijk voor het behoud van archiefmateriaal, maar ook voor het mogelijk maken van toekomstig onderzoek.

Daarnaast heeft de stage mij ook geleerd dat onderzoek niet uitsluitend afhankelijk hoeft te zijn van een rechtstreeks toegankelijk archief of van bestaande publicaties. Ook via meer indirecte en meer creatieve onderzoeksmethoden, kunnen nieuwe inzichten ontstaan en kunnen steeds meer puzzelstukken rond een kunstenaar als Fabry worden samengebracht.

Conclusie 

De stage bij CKV was een erg waardevolle ervaring, waarin ik de ruimte en het vertrouwen kreeg om mijn eigen interesses en kennis uit de opleiding kunstwetenschappen te verweven met de stage. De stage heeft mijn doorzettingsvermogen versterkt en mij geleerd om ondanks struikelblokken gemotiveerd verder te blijven werken. Daarnaast heeft ze mij ook leren omgaan met het feit dat sommige lacunes niet meteen opgelost kunnen worden, en dat ook dit inzicht deel uitmaakt van het onderzoeksproces. De stage heeft mij veel bijgebracht, zowel op inhoudelijk als op praktisch vlak.

Ik wil graag mijn dankbaarheid uiten aan mijn stagebegeleider, Emma Sinnesael, voor alle hulp, feedback en aanmoedigingen tijdens deze stage. Daarnaast wil ik ook CKV bedanken om mij de kans en vrijheid te geven onderzoek te voeren naar een kunstenaar waar ik erg gepassioneerd over ben, evenals voor alles wat ik tijdens deze periode heb bijgeleerd. Tot slot wil ik mijn bachelorproef promotor, Dr. Apolline Malevez,  aan de Universiteit Gent bedanken, dankzij wie ik Suzanne Fabry heb leren kennen.

 

Meer weten over Suzanne Fabry? Ontdekt de Engelstalige Wikipedia-pagina die tijdens de stage werd opgemaakt!

 

EV

Bronnen

(1) Guisset, Jacqueline. Leven in de opera: Suzanne Fabry en Edmond Delescluze. La Renaissance du Livre, 2000 ; Struyven, Christian. ‘Belgische kunstenaressen in het Interbellum: 7. Suzanne Fabry (Brussel 1904- 1985) academische zelfportretten’. In Recht in beweging – 32ste VRG-Alumnidag 2025, onder redactie van VRG Alumini. Gompel & Svacina, 2025.

(2) S., M. ‘Au Palais des Beaux-Arts: Les concours Godecharle’. L’ étoile Belge, 21 juni 1928.

(3) Van Melkebeke, Jacques. ‘Salon de Printemps’. La Vie Artistique. Le nouveau journal, 3 mei 1944.

(4) Meijer, Maaike, en Elizabeth Honing. Elck zijn waerom: vrouwelijke kunstenaars in België en Nederland 1500-1950Vrouwelijke kunstenaars in België van 1800-1950. Onder redactie van Katelijne van der Stighelen. Ludion, 1999, 82.

(5) Emile Fabry, brieven aan Maurice Cantens,1940-1958. AHKB, folder Emile Fabry- divers correspondance, 10.013- 10.030.

(6) Suzanne Fabry, brief naar Francine Claire Legrand, 23/10/1973. AHKB, folder Emile Fabry- divers correspondance, 33.082.

(7) Suzanne Fabry, Portrait mortuaire de Marie Closset alias Jean Dominique, 20 juli 1952, potlood op papier, 32 x 36, 5 cm, Archives et Musée de la littérature : MLCO 00445.

(8) Vanessa Gemis, ‘Femmes et champ littéraire en Belgique francophone (1880-1940)’, Sociétés contemporaines (Paris) n° 78, nr. 2 (2010): 30.

wiki d