Hoe breng je iets in kaart dat grotendeels verdwenen is?

Deze vraag vormde de onderliggende rode draad tijdens mijn stage bij het Centrum Kunstarchieven Vlaanderen, waar ik me toelegde op het in kaart brengen van de archieven van kunstgaleries in Gent. Een galerij, zo werd al snel duidelijk, is vaak een vluchtige constructie: kleinschalig, zelfstandig opererend, en kwetsbaar voor economische en culturele verschuivingen. Galeries openen, presenteren, sluiten – en verdwijnen. Niet zelden zijn een vergeelde affiche of een vergeten vermelding in een catalogus de enige overblijfselen van hun bestaan.

Stagestudent Fien Vrolix. Foto: CKV (2025).

Mijn onderzoek begon met een inventarisatie: namen, adressen, jaartallen. Deze eenvoudige opsomming bracht al snel een veelheid aan initiatieven aan het licht. De grotere, meer gevestigde instellingen waren mij bekend, maar het waren juist de minder zichtbare, tijdelijke galeries die mijn aandacht trokken. Galeries die vaak slechts enkele jaren actief waren, maar niettemin een wezenlijke bijdrage leverden aan het artistieke klimaat van hun tijd. Hun ambities waren vaak groter dan hun middelen, en toch lieten ze sporen na.

In totaal kon ik ongeveer vijftig Gentse galeries traceren. Wat daarbij opviel, was hoe fragmentarisch de overgeleverde informatie vaak is. Archiefmateriaal bleek moeilijk toegankelijk of in veel gevallen simpelweg afwezig. Dat heeft deels te maken met het feit dat veel galeriehouders of hun erfgenamen zich onvoldoende bewust lijken van het belang van archivering. Terwijl net dat – het zorgvuldig bewaren van documenten, uitnodigingen, correspondenties, foto’s – een van de weinige manieren is om de impact van hun werk zichtbaar te houden. Zonder archief vervaagt zelfs het meest betekenisvolle initiatief binnen één generatie.

Tentoonstellingen te Gent De kunstkritiek van Raoul De Keyser, 1949–1964.

Simon, 28 oktober tot 24 november 1977, YD Gallery. Collectie Universiteitsbibliotheek Gent.

Deze constatering onderstreept de urgentie van het in kaart brengen van deze archieven. Gelukkig bestaat er dankzij recent onderzoek reeds enige contextuele duiding van het Gentse galeriewezen, voornamelijk voor de periode 1957 tot 1987. Publicaties als Tentoonstellingen te Gent: De kunstkritiek van Raoul De Keyser, 1949–1964 en Cortier-Gent-Plus-Kern dienden tijdens mijn stage als belangrijke referentiepunten. Deze werken boden niet alleen een historisch kader, maar ook een discursieve taal om over galeries als culturele actoren na te denken. Soms vond ik in een voetnoot of illustratie vaak rijkere inzichten dan in een hele archiefmap. Verdere informatie over dit onderzoeksproject is te raadplegen via het digitale platform speelveld.gent, waar de Gentse kunstscene tussen 1957 en 1987 in kaart is gebracht.

Hoewel de periode na 1987 relatief recent is, blijkt ook hier het bewaard gebleven archiefmateriaal beperkt. Tussen circa 1990 en 2010 waren opnieuw talrijke galeries actief, maar ook hier is documentatie dikwijls moeilijk terug te vinden. Deze vaststelling wijst op een structureel probleem: initiatieven die als ‘tijdelijk’ of ‘kleinschalig’ worden gepercipieerd, vallen vaak buiten het blikveld van systematische archivering en erfgoedzorg. Een bredere institutionele erkenning van de waarde van deze initiatieven is dan ook noodzakelijk. Het CKV neemt hierin een voortrekkersrol op zich door actief in te zetten op de documentatie van dit vaak over het hoofd geziene erfgoed, en door een inclusieve erfgoedzorg te bepleiten die ook tijdelijke en kleinschalige initiatieven erkent als volwaardige culturele actoren.

Tijdens mijn stage kreeg ik de kans om verschillende niet-publieke en persoonlijke archieven te consulteren. Een bijzonder moment vormde mijn bezoek aan de archieven en bibliotheek van Galerie St-John. Het materiaal dat ik daar aantrof, bood onverwachte aanknopingspunten binnen mijn onderzoek. Ook mijn ontmoeting met kunsthistorica Christine Adam, initiatiefneemster van Huize St. Bonaventura (de naam van haar begijnenhuis), bleek van grote waarde. In haar persoonlijke archief trof ik uitnodigingskaarten aan van galeries die elders niet bewaard zijn gebleven. Deze documenten stelden mij in staat om tot dan toe anonieme galeries te identificeren door namen en adressen met elkaar in verband te brengen. Bovendien kon Christine, dankzij haar jarenlange ervaring binnen de Gentse kunstscene, meteen de identiteit van Huize Sint-Jacobus benoemen. Deze naam dook frequent op in tentoonstellingsagenda’s, maar kon ik tot dan toe aan geen specifieke persoon of locatie verbinden.

Deze ervaringen illustreren het belang van mondelinge overlevering en persoonlijke archieven in het onderzoek naar kunstinitiatieven. De kennis die zich bevindt in de herinneringen van individuen die actief waren in het veld, is vaak nergens anders te vinden. Het ontsluiten van deze kennis vraagt tijd, vertrouwen en aandacht. Maar is onmisbaar voor een volledige reconstructie van het lokale kunstlandschap.

Joe De Luca, Carl Uytterhaegen - recent constructions, fotografie 1981, Artemis Art Gallery Gent. Collectie Universiteitsbibliotheek Gent.

Jan Burssens, Galerij Kraanlei 3, 27 februari tot 24 maart 1976. Collectie Universiteitsbibliotheek Gent.

Wat deze stage mij uiteindelijk bijbracht, reikt verder dan het verzamelen van feitelijke gegevens. Ze leerde mij aandacht te hebben voor wat niet (meer) zichtbaar is, voor het tijdelijke, het ongedocumenteerde en het vergeten. De afwezigheid van archiefmateriaal is in dit kader niet enkel een hiaat, maar ook een betekenisvol signaal: het vertelt ons iets over de kwetsbaarheid van erfgoed en de mechanismen van culturele herinnering. Een naam die ontbreekt op een uitnodiging, een galerie die door meerdere betrokkenen herinnerd wordt maar nergens formeel geregistreerd staat – dergelijke observaties wijzen op de manier waarop geschiedenis wordt geconstrueerd, en wat er op het spel staat wanneer men het nalaat te documenteren.

Het werk van het CKV om dergelijke archieven in kaart te brengen, is daarom van cruciaal belang. Door te documenteren wat anders buiten beeld zou blijven, ontstaat ruimte voor een inclusiever kunsthistorisch discours. Deze verbreding van het perspectief is noodzakelijk om het narratief van de kunstgeschiedenis recht te doen.

Terwijl mijn stageperiode ten einde loopt, blijven de genoteerde namen, verzonden e-mails en gesorteerde documenten als tastbare resultaten achter. Wat echter vooral bijblijft, is het besef van hoe precair dit type erfgoed is, en hoe belangrijk het is dat instellingen als het CKV zich inzetten om deze kennis te bewaren voordat ze onherroepelijk verdwijnt. En ook: dankbaarheid – voor alle mensen die bereid waren hun kennis, archieven en tijd te delen.

FV

wiki 4