Het archief reikt naar de toekomst: Walter Leblanc tegemoet
Archieven worden vaak voorgesteld als stoffige, logge en, alles bij elkaar genomen, dode verzamelingen van oude artefacten. Toch ben ik gaandeweg gaan begrijpen dat ze een hartslag hebben—een kloppend, borrelend leven aan de bron. Een archief kan vele dingen zijn, maar voor mij biedt het twee centrale mogelijkheden: een blik op het verleden en het vormgeven van de toekomst. Deze twee zijn diep verstrengeld met het nu—ons nu.
Geïnspireerd door Meeting the Universe Halfway van Karen Barad ben ik het archief gaan begrijpen als meer dan een installatie die sporen uit het verleden naar het heden transporteert, zodat ze vervolgens naar de toekomst kunnen worden meegenomen. Zo eenvoudig is het niet. In Archive Fever (1996) biedt Jacques Derrida een alternatief:
“De kwestie van het archief is niet, zo herhalen we, een kwestie van het verleden. Het is niet de kwestie van een concept dat betrekking heeft op het verleden en dat ons al dan niet ter beschikking zou staan, een archiveerbaar concept van het archief. Het is een kwestie van de toekomst, de kwestie van de toekomst zelf, de kwestie van een antwoord, van een belofte en van een verantwoordelijkheid voor morgen. Het archief: als we willen weten wat het zal hebben betekend, zullen we dat pas in de komende tijden weten. Misschien. Niet morgen, maar in de komende tijden, later of misschien wel nooit.”
— Jacques Derrida, Archive Fever (1996), p. 36, vertaling Barbi García.
Het archief is niet lineair. Temporaliteiten botsen op elkaar. Het is een materieel-discursieve configuratie waarin verleden, heden en toekomst voortdurend in elkaar verweven zijn. Het archief herinnert opnieuw. Het vertelt herinneringen voortdurend opnieuw via processen van herconfiguratie—een lens waardoor we kunnen heroverwegen wat we denken te weten.
Daarentegen kan die lens ons beeld ook vervormen. Het archief is nooit compleet. Het bestaat niet als een autonome afdruk van een voltooid verleden, die vervolgens in het heden wordt geïnterpreteerd. Ook de archivaris is niet neutraal: diens beslissingen over classificatie en bewaring zijn bepalend voor wat zichtbaar kan worden. De archivaris staat niet buiten het archief als een neutrale bemiddelaar tussen het verleden en de onderzoeker. De archivaris, het document, de catalogus, de technologieën van bewaring en de onderzoeker maken allemaal deel uit van dezelfde materieel-discursieve configuratie. Het archief leeft.
Barbi García bij de Walter & Nicole Leblanc Foundation, Brussel.
Dit was wat mijn interesse in archiveren enkele jaren geleden wekte. Nadat ik er met enkele vrienden over had gesproken, besloot ik contact op te nemen met het Centrum Kunstarchieven Vlaanderen (CKV). Zij brachten mij vervolgens in contact met de Walter & Nicole Leblanc Foundation, waar ik gedurende de zomer stage liep. De stichting werd opgericht door Nicole Leblanc zelf, enkele jaren nadat haar man Walter tragisch om het leven kwam bij een auto-ongeluk, op weg naar de opbouw van een groepstentoonstelling in Brussel. Zoals ik het mij voorstel, verzamelde, ordende en classificeerde zij zorgvuldig zijn bezittingen, en vormde zo geleidelijk een archief—een archief dat, zoals vele archieven, uit liefde is ontstaan.
In zekere zin lijkt het archief sterk op fictie: beide zijn er voor “het verzamelen, dragen en vertellen van de dingen van het leven” (Donna Haraway in Ursula K. Le Guin, The Carrier Bag Theory of Fiction, 1986, p. 10, mijn vertaling). Nicole probeerde het verhaal van haar man te vertellen. En dat was merkbaar. Tijdens mijn stage digitaliseerde en classificeerde ik voornamelijk correspondentie tussen Walter (& Nicole) Leblanc en talloze andere correspondenten, gaande van galeristen en museumdirecteuren tot collega-kunstenaars. Het meest interessante was dat hij hen allemaal als vrienden schreef. Ik werd geraakt door zijn aandacht voor anderen, en door de warme groeten die hij onderaan zijn brieven achterliet. Misschien was het een teken van de tijd, maar het is iets wat ik me vandaag de dag nauwelijks kan voorstellen.
Archief Walter Leblanc, Brussel. Foto: We Document Art.
Archief Walter Leblanc, Brussel. Een correspondentie tussen Walter Leblanc en William E. Simmat, oprichter van Galerie d (Frankfurt am Main, 1962).
Hoe dan ook had ik het gevoel dat ik tijdens mijn stage geleidelijk een beeld van hem construeerde—van wie hij geweest zou kunnen zijn. Ik kon naar audio- en videomateriaal luisteren en kijken waarin hij over zijn werk en praktijk sprak, en ik kon een kijkje nemen in zijn bibliotheek en die opnieuw ordenen. Ik plaatste zijn boeken in chronologische volgorde en bladerde erin terwijl ik werkte. Veel van de galeristen met wie Leblanc correspondeerde—precies de mensen van wie ik de brieven archiveerde—hadden boeken gepubliceerd waarin zijn werk werd opgenomen. Dit was geen toeval, en toch was het verrassend om zoveel namen tegen te komen die ik herkende.
Al deze dingen verbonden zich met elkaar en overlapten. Langzaam ontstond er een indruk. Meer dan dat: ik heb het gevoel dat ik de kunstenaar leerde kennen. Ik kreeg een inkijk, maar ik nam ook actief deel aan de constructie ervan. Ik kon deze inkijk bovendien delen. Ik hielp delen van het archief en de bibliotheek te presenteren op de nieuwe website van de foundation. Daarbij ben ik de website gaan zien als een nieuwe laag van het archief: niet simpelweg als een digitale container voor materiaal, maar als een nieuwe ruimte waarin materialen worden geselecteerd, geordend en van betekenis voorzien. Via dit proces kan Leblanc opnieuw worden ontmoet.
Wat ik uit deze ervaring meeneem, is het volgende: het verleden gaat nooit eenvoudigweg verloren, en het is evenmin dood. Het kan op talloze manieren worden herinnerd, en iedere daad van herinneren verandert onvermijdelijk datgene wat wordt herinnerd. Het archief bewaart niet simpelweg wat er was; het neemt deel aan wat kan worden. Door te sorteren, classificeren, digitaliseren, luisteren, lezen en kijken, was ik niet alleen Walter Leblanc aan het ontdekken. Op kleine schaal hielp ik ook mee een versie van hem te produceren—een versie die door mij kon worden ontmoet en die later misschien door iemand anders kan ontmoet worden.
Misschien ligt hier de hartslag van het archief. Niet in het stof van de documenten, en zelfs niet in de documenten zelf, maar in de relaties die ze mogelijk maken. Een brief verbindt Walter met een galerist; een boek verbindt hem met een kunstenaar, een tentoonstelling, een specifiek moment in de tijd. Geen van deze dingen bestaat volledig op zichzelf. Ze krijgen betekenis door hun onderlinge relaties, en die relaties liggen nooit vast. Ze verschuiven afhankelijk van wie ermee in aanraking komt, waarnaar diegene op zoek is en welke vragen diegene meebrengt. Het archief geeft ons Walter Leblanc niet terug. Het biedt ons mogelijkheden om hem te ontmoeten.
Het reikt vooruit.
En misschien is dit wat Derrida bedoelt wanneer hij het archief zo nadrukkelijk in de toekomst plaatst. We kunnen vooraf niet weten wat een archief uiteindelijk zal gaan betekenen, omdat de betekenis ervan wordt voortgebracht door toekomstige ontmoetingen. Het archief is in zekere zin een belofte: dat er iets gevonden, herinnerd of opnieuw overwogen kan worden. Het houdt het verleden niet simpelweg vast. Het herinnert het steeds opnieuw, in het heden, terwijl het het openstelt voor toekomsten die we nog niet kunnen kennen.
Walter Leblanc (1932–1986) was een belangrijke Belgische figuur binnen de Europese naoorlogse kunst. Gedurende zijn carrière ontwikkelde hij een uiterst coherent oeuvre dat draaide rond het ensceneren van licht, zonder artificiële of verstorende elementen. Binnen de internationale neo-avant-gardistische netwerken van Nouvelle Tendance, ZERO, Op Art, kinetische kunst, concrete kunst en (neo-)constructivisme verwierf Leblanc zowel nationale als internationale erkenning. Zijn werk plaatste materie, licht, ritme en kleur centraal in de ervaring van de toeschouwer, en bracht structurele onderzoeken voort die doordrongen waren van een uitgesproken poëtische gevoeligheid.
Ik wil Nele Luyts van CKV bedanken, evenals het team achter de Walter & Nicole Leblanc Foundation—María Inés Rodriguez, Joris Dockx en Mirco Bimbi—en mijn medestagiairs Alice Pieriboni en Alice Zitelli, omdat zij mij deze kans hebben gegeven, mij zo hartelijk hebben verwelkomd en mij de manieren van het archiveren hebben bijgebracht. Het was een genoegen.
BG